Dao De Jing

道 德 经


1 2 3 4 5 6 7 8 9   10 11 12 13 14 15 16 17 18   19 20 21 22 23 24 25 26 27
28 29 30 31 32 33 34 35 36   37 38 39 40 41 42 43 44 45   46 47 48 49 50 51 52 53 54
55 56 57 58 59 60 61 62 63   64 65 66 67 68 69 70 71 72   73 74 75 76 77 78 79 80 81

Daodejing II. 57.

第 五 十 七 Sectie De – Vers LVII

我
無
欲
而
民
自
樸
我
無
事
而
民
自
富
我
好
靜
而
民
自
正
我
無
為
而
民
自
化
故
聖
人
云
法
令
滋
彰
盜
賊
多
有
人
多
伎
巧
奇
物
泫
起
民
多
利
器
國
家
滋
昏
天
下
多
忌
諱
而
民
彌
貧
以
此
吾
何
以
知
其
然
哉
以
無
事
取
天
下
以
奇
用
兵
以
正
治
國
Regeer de staat met voorbeeldigheid;
een leger wordt met bijzondere bevelen ingezet,
maar het rijk wordt beheerd door niet handelen.
Hoe weet ik dat het zo moet?
Aldus;
Hoe meer verboden en censuur er in de wereld zijn,
hoe armer de mensen worden;
hoe meer scherpe wapens de mensen bezitten,
hoe onrustiger wordt de staat;
hoe meer sluwheid en vernuft de mens ontwikkelt,
hoe meer vergrijpen hij begaat;
hoe meer wetten en regels worden opgelegd,
hoe meer dieven en vandalen ontstaan.
Daarom zegt de wijze:
Ik treed niet op en de mensen veranderen uit zichzelf;
ik handel door niet-handelen en de mensen
worden uit zichzelf welvarend;
ik koester geen begeerten en de mensen
worden uit zichzelf als ongesneden hout.