Dao De Jing

道 德 经


1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81

Daodejing II. 46.

第 四 十 六 Sectie De – Vers XLVI

常
足
矣
故
知
足
之
足
咎
莫
大
於
欲
得
禍
莫
大
於
不
知
足
戎
馬
生
於
郊
天
下
無
道
卻
走
馬
以
糞
天
下
有
道

Wanneer Dao heerst in de wereld,
worden vurige paarden tot mestdieren;
wanneer Dao niet heerst in de wereld,
vertreden gevechtspaarden de achterlanden.
Er is geen grotere ramp dan kostbare begeerten;
er is geen grotere schuld dan ontevredenheid;
er is geen grotere zonde dan hebzucht.
Voorwaar, wie inziet dat hij zijn tevredenheid
aan de tevredenheid te danken heeft,
zal zich nimmer anders tevreden laten stellen.